Paul, de uitzendkracht

Door: Simon Kools

Afgelopen zomer werkte ik als vakantiekracht in een verpleeghuis, op een gesloten afdeling voor mensen met dementie. Een bijzondere tijd waarin ik tot het inzicht ben gekomen dat dementie méér dan een gruwelijke ziekte, getekend door aftakeling, kan zijn. Zoals Anneke van de Plaats zegt: het kan ook een wondere wereld zijn. Sociale en emotionele filters die wegvallen, confabuleren, onvoorspelbare gesprekjes, je maakt wat mee. Door een respectvolle, geduldige houding had ik vaak een soepele omgang, zelfs ontzettende lol met de bewoners. Daarentegen was het niet zonder meer even makkelijk om met verzorgend personeel om te gaan. Zeker als zij met bewoners omgingen alsof het objecten zijn, obstakels die hun werkdag verpesten.

Daarom zal ik niet gauw de dag vergeten waarop een uitzendkracht, laten we hem Paul noemen, ingeroosterd stond. Omdat ik al een tijdje in het tehuis rondliep, vroeg de leiding of ik wat vaker bij hem langs kon gaan. In het tehuis waren er een aantal gezamenlijke 'huiskamers', waar acht bewoners de dag doorbrachten. Daar ondersteunde ik het personeel door afwasmachines in te ruimen, tafels te dekken, koffie te schenken, of een gesprekje met de bewoners aan te knopen. Elke huiskamer heeft zijn eigen dynamiek, en elke bewoner een eigen handleiding: ik zou Paul een beetje wegwijs kunnen maken hierin. Goed plan, bovendien werkten er voornamelijk 'zusters' in  het tehuis en leek het me interessant om te zien hoe een 'broeder' zijn werk opvatte.

Maar het bleek dat deze broeder en ik een behoorlijk andere insteek hadden.

“Normaal gesproken werk ik in een een particulier ziekenhuis” vertelde hij. “Vandaag verdien ik als uitzendkracht een extra zakcentje, zie je. In het ziekenhuis komen mensen meestal voor korte behandelingen. Dat is echt doorwerken, en echte zorgtaken doen; helpen met de toiletgang, bloeddruk meten, verbandjes leggen... en weer verder. Geen ander… gedoe”. Bovendien bleek dat ziekenhuis beter te zijn, omdat “het meer ontwikkelde technologie heeft, zoals bedden die direct kunnen kantelen... Dit tehuis?... Hmm, stelt weinig voor”.

Gedurende de dag kwam ik een aantal keer langs en zag Paul telkens op zijn smartphone kijken. Ondertussen zag ik bewoners ongedurig worden, op zoek naar prikkels. Zoals mw K.; die – als ze onrustig werd – hardop en herhaaldelijk 'wat moeten we nou?' vroeg. Vaak hielp het dan om even te praten of, als er geen tijd was, muziek of een documentaire op te zetten. Als ik Paul zeg dat ze wat extra aandacht nodig heeft, reageert hij met: “Ja, ik vond haar al irritant”. Van de bewoners leek hij vooral hinder te ondervinden. Een goede zorgvrager is een stille zorgvrager.

Hoewel bij sommige zorgtaken, zoals bij wassen en aankleden, ik niet kon of mocht helpen, kon ik bij het avondeten wel ondersteuning bieden. Vaak ging ik rond etenstijd naar de huiskamer waar Paul die dag dienst draaide, waar op dat moment twee bewoners hulp met eten nodig hadden. Dit was een gezamenlijk moment; iedereen werd naar de grote tafel in de huiskamer begeleid. Het is misschien wat ouderwets, maar het avondeten biedt bij uitstek sociale mogelijkheden. Door een gesprek te voeren waarbij iedereen betrokken kan worden, kan er echt een huiselijke sfeer ontstaan.

Onder leiding van Paul daarentegen werd het eten simpelweg opgediend, die vervolgens zwijgend mw van R het prakje dat hij van de Hollandse pot had gemaakt begon toe te lepelen. Ondertussen hielp ik mw van W.  Deze huiskamer kon behoorlijk levendig zijn tijdens het eten, maar nu heerste er stilte. Die werd alleen onderbroken door Paul, die mij weer op haast vaderlijke wijze begon te vertellen over hoeveel beter het ziekenhuis was. Er was geen enkel initiatief tot contact met de bewoners, en voordat ik dat zou kunnen doen, zou ik hem moeten onderbreken. Ik vond het al lastig met zijn houding om te gaan, maar dit was voor mij de druppel.

Om maar wat te proberen zei ik: “Wacht maar tot je zelf in een tehuis als deze zit”.

Hij reageerde kalm: “Oh nee, dat zal niet gebeuren”.

Verrast over zijn antwoord vroeg ik: “Hoe weet je dat zo zeker?”.

“Voordat ik zó word maak ik er een eind aan. Dan ligt er een pilletje voor me klaar. Het is allemaal al geregeld met de notaris. Ook voor m'n moeder”.

Half van hem weggedraaid, omdat ik mw. van W net een hapje aanbood, keek ik – met stomheid geslagen – de tafel rond. Ik zag mw B. en mw K. geschokt opkijken van hun bord. Ik wist niet wat te zeggen en ben er maar niet op ingegaan. De stilte keerde terug, hoewel er nog iets in de lucht hing.

Zo verklaarde Paul, in het bijzijn van zijn zorgvragers, dat hij liever dood zou zijn dan door hemzelf geholpen te worden. En jammer genoeg moet ik hem daar ergens ook wel gelijk in geven.

De rest van die dienst heb ik de gesprekken met Paul zo kort mogelijk gehouden. Terwijl ik op de afdeling rondliep wierp ik een paar keer nog wel terloops een blik in de huiskamer. Die avond werden de bewoners in recordtempo naar hun appartementen gebracht.

Nota bene

Later heb ik dit verhaal voorgelegd aan een leidinggevende. Die schrok erg van dit gebeuren en vertelde me dat Paul geschrapt zou worden van de lijst van mogelijke uitzendkrachten.

Dit stukje heb ik geschreven omdat ik het belangrijk vind dat er aandacht is voor de omgang van zorgverleners ten opzichte van mensen met dementie. Naar mijn idee stelt het een vraag over professionaliteit: wat maakt een goede professional? Echter, in de situatie die ik beschrijf was ik zelf ook werknemer, dus de vraag gaat ook voor mezelf op. In zekere zin ging ik op het moment dat ik beschrijf mee in de houding van 'Paul'. Dat is net zo min professioneel, en had wellicht anders gekund. Zo zijn er voor mij vragen die opkomen zoals: hoe had ik de houding van Paul gepast bespreekbaar kunnen maken? Had ik daar een mogelijkheid toe, en was ik degene om dat te doen?

 

Het ene verpleeghuis is het andere niet, en zo bestaan er ook grote verschillen in benadering tussen zorgverleners. Gelukkig zijn er naast dit verhaal over uitzendkracht Paul ook vele positieve voorbeelden te vinden. Lees bijvoorbeeld eens deze blog van de dochter van verpleeghuisbewoner 'ons moeders' over betrokken zorgwerker Janneke.

Jouw verhaal op deze site?

Wil je zelf een bijdrage leveren aan deze site klik dan hier

Reacties:

  1. jammer dat de uitzendkracht de zwarte piet toegespeeld krijgt, ik heb het ook wel eens anders mee gemaakt hoor, dat we een superlieve uitzendkracht hadden die ontzettend haar best deed, terwijl het vast personeel op zijn mobiel zat te kijken

  2. Hoi Betty,

    Als schrijver van het stuk: het is niet mijn bedoeling om ‘uitzendkrachten’ in een kwaad daglicht te stellen. Ik geloof direct dat het ook andersom kan gebeuren, zoals je zegt. Het gaat er niet zozeer om uitzendkrachten. Het gaat meer over de mentaliteit van zorgverleners, in dit geval een uitzendkracht. Maar ik hoop ook dat mensen die dit lezen nagaan hoe zij zelf zouden handelen als ze iets soortgelijks tegenkomen. Ik vond het zelf heel lastig, en vraag me af wat er kan worden gedaan aan zo’n afstandelijke houding, en hoe je dat aanspreekt.

2 gedachten over “Paul, de uitzendkracht”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *