Uit het zicht

Door: Gerdien Breimschrijft

Buiten zitten de dames N., O. en R. gezusterlijk naast elkaar op het terras onder het grote zonnescherm. Johan en ik begroeten hen en schudden ze de hand. Mevrouw N. draagt een zwierige strohoed. Ik zeg dat hij haar erg goed staat, en dat ze wel een filmster lijkt. Ze wordt er verlegen van en vertelt trots dat ze hem bij de bingo gewonnen heeft.
Ons moeders, die tegenover de dames aan de andere kant van de tafel zit, is in slaap gevallen. Haar kopje thee, nog halfvol, hangt vervaarlijk aan haar gekromde wijsvinger. Met mijn ene hand pak ik het kopje beet, mijn andere leg ik op ons moeders' schouder.
'Joehoe Roelientje' zeg ik voorzichtig bij haar oor.
Ze wordt er niet wakker van. Ik herhaal haar naam nog een paar keer, nu wat luider. Het werkt. Ze richt langzaam haar hoofd op en kijkt me wat lodderig aan.
'Oh hallo' zegt ze, en sluit gelijk haar ogen weer.
Ik geef haar twee ferme zoenen en zeg: 'Je zat even heerlijk te dommelen in het zonnetje. Zal ik je theekopje even op tafel zetten?'
Subiet strekt ze haar wijsvinger en kan ik het kopje eraf schuiven.

Johan en ik schuiven stoelen aan en gaan aan weerszijden van ons moeders zitten.
‘He he’ verzucht ik, ‘we hebben net 45 kilometer gefietst. Blij dat ik zit.’
Onze fietsafstand oogst bewondering bij de dames. Ze willen weten waar we zijn geweest.
'Via Anreep, Ekehaar, Eleveld, Geelbroek naar Hooghalen, en daarna door naar Grolloo en via Amen terug naar huis' vertel ik.
Ik weet dat ze de dorpen allemaal kennen, mevrouw N. is er zelfs in eentje geboren.
'Had je ook een picknick mee?' wil mevrouw O. weten.
'Zeker, boterhammen met een gebakken eitje, en een mandarijntje' antwoord ik. 'Fietsten jullie vroeger ook wel eens zo’n rondje?' vraag ik.
Er wordt door de dames bevestigend geknikt en gehumd. Ze namen net als wij ook boterhammen mee, en natuurlijk een thermosfles koffie. Zoete herinneringen zijn het, ik zie het in hun gezichten. Hoewel ons moeders haar ogen de hele tijd gesloten houdt, merk ik dat ze aandachtig het gesprek volgt.

'Nou en of, je mist hem nog steeds' zegt mevrouw R. opeens.
Ik weet onmiddellijk dat ze met ‘hem’ haar man bedoelt. Is haar gevoel wellicht opgeroepen door de herinnering aan fietstochten met hem? Het zou zo maar kunnen.
Ze kijkt me aan en maakt met haar hoofd een knikgebaar richting Johan: 'Wees maar blij dat je hem nog hebt. Het kan zo maar voorbij zijn!'
'Je gemis gaat nooit over he?' zeg ik tegen haar.
Een bijna verbeten ‘Nee’ ontsnapt haar en ik heb ontzettend met haar te doen.
Het moment vervliegt, want mevrouw O. oppert plots: ‘Weet je waar ik nou zin in heb? Frietjes!’

Haar verlangen geeft reuring in de groep, want iedereen blijkt hier wel trek in te hebben. Ook de andere huisgenoten, die inmiddels bij ons op het terras zijn aangeschoven. Alleen, de nijpende vraag is hoe ze aan die friet komen. Wachten tot er een patatboer langskomt, oppert iemand, want het is tenslotte zaterdagmiddag. Bestellen zou ook kunnen, zegt een ander. Ze komen er niet echt uit samen, maar de trek is er wel door aangewakkerd.
‘Als ik nou eens even naar de patatzaak fiets om wat op te halen’ oppert Johan na een tijdje.
Er klinkt nog net geen hoera.

Zo gezegd, zo gedaan. Na een tijdje is Johan terug met frietjes en bitterballen, hij verdeelt de snacks in schaaltjes en zet voor iedereen een portie neer. Zorgwerker D. maalt snel even voor twee mensen met slikproblemen wat frietjes fijn, met wat mayonaise erdoor. Hetzelfde doet ze met de bitterballen. Als iedereen een schaaltje voor zich heeft staan, begint het Grote Smullen. Tot de laatste kruimel wordt alles opgepeuzeld en een enkeling lepelt met haar vinger de mayonaise uit haar schaaltje.
Met bezorgde blik vraagt mevrouw N. zich af wie dit allemaal betaalt. Johan zegt dat het zijn traktatie is. Dat vindt ze aardig van hem, maar ‘het hoeft niet hoor’ zegt ze nadrukkelijk een paar keer.
'Ik doe het echt graag' stelt Johan haar gerust.

Van het avondeten zal straks niet veel terechtkomen, maar ach, dat moet kunnen voor een keer. Als iedereen z’n schaaltje leeg heeft, is het inmiddels half zes en tijd om naar binnen te gaan. Ik sta op om ons moeders naar binnen te rolstoelen.
Als ik naast haar sta wijst ze met haar vinger recht vooruit en zegt gedecideerd: ‘Wat is dat daar?’
Ik volg haar wijsrichting en zie direct wat ze bedoelt: midden op tafel staat een plastic bakje met een restje friet en enkele bitterballen. Ik schiet in de lach. Hoewel ze ernstige maculadegeneratie heeft, is het soms verrassend wat ze ziet. Dit was zonder twijfel een vraag naar de bekende weg. Ik geef haar grijnzend een laatste bitterbal.

Het plastic bakje zet ik onopvallend uit het zicht.

Ook het leven in een verpleeghuis kent goede en slechte momenten. Gerdien Breimer schrijft over het leven van alledag van haar eigen moeder, die alzheimer heeft en op een gesloten psychogeriatrische afdeling woont.

Jouw verhaal op deze site?

Wil je zelf een bijdrage leveren aan deze site klik dan hier

Reacties:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *